Het moois dat we delen
Ish Ait Hamou

Soumia is een 27 jarige, Marokkaanse vrouw. Ze zit in de fleur van haar leven en heeft een mooie toekomst voor ogen... Het lot beslist anders waardoor haar dromen in één ruk worden verwoest. Hoe kon haar goede wil en het blindelings vertrouwen in een levenslange vriendschap vijf jaren van haar leven afnemen? Na haar gevangenschap strijdt Soumia meer dan ooit tegen de argwaan van de maatschappij en tegen het racisme waar zij en haar gezin dagelijks mee kampen. Maar ze wil zich niet meer verstoppen voor de achterdochtige blikken op straat. Met de moed der wanhoop probeert ze haar onschuld te bewijzen en wil ze de kracht vinden om terug gelukkig te zijn. Luc is een eenzame, oude man wie net als Soumia de draad van het leven terug probeert op te pikken nadat zijn huwelijk plots op verschrikkelijke wijze ten einde kwam. Ook hij probeert dagelijks te vechten tegen de oneerlijkheid van het leven en tegen het verdriet dat hij niet verwerkt krijgt. Op een dag worden Soumia en Luc als twee vreemden per toeval samengebracht door Hassan. Twee verloren zielen die door één cruciaal moment onlosmakelijk verbonden worden.Beide zijn ze opzoek naar een antwoord op dezelfde vraag en beide leven ze met de hoop om vergeven te worden en te kunnen vergeven. Ze vinden elkaar in al de pijn en in al het moois dat ze delen.
Het verhaal speelt zich af in het hedendaags Brussel.
In deze rauwe, realistische roman hanteert Ish Ait Hamou een sobere maar heldere schrijfstijl die ervoor zorgt dat de lezer het boek op een eigen manier kan aanvoelen en interpreteren. Ish Ait Hamou slaagt erin om twee verschillende levensverhalen en culturen op een genuanceerde manier met elkaar te verbinden. Het verhaal gaat enerzijds over een Marokkaanse vrouw die ongewild betrokken raakt bij het plegen van een terroristische aanslag en anderzijds over een oude Vlaamse man die de liefde van zijn leven verliest tijdens diezelfde gebeurtenis. Het boek vertelt het verhaal van twee slachtoffers die door de oneerlijkheid van het leven getekend zijn en door de zure appel van onrechtvaardigheid heen moeten bijten. Soumia’s en Lucs verhalen staan als een glasheldere spiegel tegenover elkaar als het gaat over eenzaamheid, snakken naar vergiffenis en jezelf verliezen in een samenloop van omstandigheden. Naast de verbinding van de twee personages is er ook een subtiele disbalans aanwezig. Deze disbalans is enerzijds vooral voelbaar in de manier waarop Soumia ons als lezer inzicht geeft in de complexe barrières van racisme en discriminatie voor de slachtoffers ervan en anderzijds in de houding van Luc die het stereotype van een racistische witte Vlaming belichaamt. De zichtbare minachting van Luc tegenover de verschillende culturen in zijn wijk verandert hoe dan ook subtiel, bijna onmerkbaar, in een onzekere maar oprechte verdraagzaamheid die we bijna respect kunnen noemen. Deze verdraagzaamheid zal bij Soumia voor een emotionele zuivering en een symbolische bevrijding zorgen waar zij aan het begin van het boek nog zo naar snakt. Het moois dat we delen laat je als lezer zonder verplichting tot partijdigheid kennismaken met verschillende culturen, verhalen en invalshoeken en het leert je hoe mooi en noodzakelijk maar vooral hoe pijnlijk maar verlossend de stap tot verzoening kan zijn.

Door de hype die Het moois dat we delen teweeg bracht stond het boek al een tijdje op mijn to-dolijst. Ik zag het lezen ervan tijdens de zoektocht naar jeugdboeken voor de aanvulling van mijn leeslijst dan ook als een mooie opportuniteit. Ik vond het wel een uitdaging om eraan te beginnen omdat ik niet geneigd ben zulke hedendaagse en actuele boeken die zo dicht bij de gekende werkelijkheid staan te lezen. Toen ik eraan begon duurde het een tijdje voor ik écht overtuigd was van het boek. Het eerste kwart las ik vlot door maar ik werd toch niet helemaal omver geblazen. Mijn interesse en drang om verder te lezen bleef op een laag pitje staan wat ik jammer vond aangezien ik veel van het boek verwacht had. Ik kon ook niet direct voor mezelf uitmaken hoe het kwam dat ik niet volledig werd aangetrokken door het boek. Toch sloeg de auteur er vaak in om bepaalde zaken helder te beschrijven waardoor ik me regelmatig kon identificeren met de personages en de omschreven situaties, wat zeker hielp bij mijn motivatie. Naarmate het verhaal vorderde verdween de oppervlakkigheid waaraan ik me aan het begin van het boek stoorde en kreeg het verhaal plots enkele krachtige, dubbele bodems en wendingen waar ik als lezer naar verlangde. Wanneer de twee uiterste verhalen van de twee belangrijkste personages in elkaar vloeiden, ontstond er voor mij een zekere catharsis die mij intrigeerde en die mijn eerste indruk over het boek veranderde. Daarnaast denk ik dat de oppervlakkigheid van het verhaal aan het begin misschien wel een bewuste keuze was van de auteur die ervoor moest zorgen dat de lezer des te harder gegrepen werd door de onverwachte wending en plot. Het moois dat we delen is voor mij een mooie weergave van verzoening, respect en vergiffenis die in schril contrast staan met het onverteerbare, actuele debat over racisme, discriminatie en vooroordelen. De zin 'heel soms komen twee verwoeste wegen samen op een hoopvol kruispunt' die op de achterkant van het boek staat, geeft voor mij ook goed weer hoe ik het boek in al zijn somberheid naar het einde toe ervaarde.
"Ik wil uit bed komen, maar ik weet niet wat ik moet doen. Wat het vervolg is. leven is nog nooit zo niet-vanzelfsprekend geweest. Zolang ik blijf liggen, heb ik het gevoel dat ik het leven niets verschuldigd ben. Dat ik niemand iets verschuldigd ben." P. 7
"Ze is uitgepraat, het is stil nu. Traag neem ik mijn laatste slok thee. Beiden staren we naar ons lege glas. Voor het eerst heb ik het gevoel dat er iemand tegenover me zit die mij misschien wel in het diepste kan begrijpen. De eenzaamheid en al wat komt kijken bij verlies. " P. 171
"Ik heb nooit durven denken dat iemand wiens leven ik heb gebroken mij zo tot zich zou toelaten. Hij zal het nooit weten maar wat hij me heeft gegeven, is meer dan vergeving. Hij liet me met elk bezoek, met elk glas thee, met elke boodschappentas die ik meebracht me weer even mens voelen. Ik was onderweg naar iemand die op mij wachtte. Naar iemand die de deur voor mij opendeed. " P. 205