Datumloze dagen
Jeroen Brouwers

Deze psychologische roman wordt verteld als een innerlijke monoloog door een naamloze ik-verteller die ergens eind de zestig is en die een lange wandeling door het bos maakt. Zijn monoloog gaat voornamelijk over verschillende belangrijke en minder belangrijke momenten in zijn leven waaronder ook de paar ontmoetingen die hij had met zijn vervreemde, in eerste plaats niet gewilde, zoon die hij doorheen zijn leven af en toe eens toevallig tegen het lijf liep. De confrontaties met zijn zoon in het verleden hebben in eerste instantie niet snel geleid tot toenadering en vonden plaats op willekeurige 'datumloze dagen'. De herinneringen aan een lang voorbije tijd die door de verteller worden opgehaald, gaan voornamelijk over de mislukte relaties in zijn leven, met de vele vrouwen die hij had maar vooral met zijn zoon Nathan, en de achtergebleven schaamte en spijt die als een soort vloek op hem rusten. De gedachteweergave tijdens de innerlijke monoloog van de verteller is aanwezig tijdens het hele boek waardoor we bijna kunnen spreken van een stream of consiousness.

Op de eerste cover, de cover van de weergave die ik las, is er een impressionistische weergave van een man in een zwart maatpak die door het bos wandelt. Als lezer weet je direct, zelfs na de eerste pagina, dat de man op de voorkant de verteller is die door het bos wandelt en zijn verhaal vertelt. Het zwarte maatpak dat de man draagt kan een verwijzing zijn naar de dood. Op de andere cover van het boek staat een weelderige, jonge dame met lange blonde, bijna gouden, krullen en een lichaam bedekt met verf in de vorm van rozen. Op p.144 wordt hiernaar subtiel verwezen."...een eeuwig onbederflijk mooie jonge vrouw ontmoet, wier geurig lichaam uit eeuwig frisse rode rozen bestaat...'

Naast dat de cover weldoordacht is gekozen, is ook de titel niet willekeurig. De titel Datumloze dagen, waarnaar meermaals wordt verwezen in het boek, omvat de dagen of momenten in het leven van de verteller die hij niet meer exact kan dateren maar waarvan hij wel voelt dat ze een blijvend spoor hebben achtergelaten op zijn ziel. Hij ervaart zijn leven als een opeenvolging van willekeurige anekdoten van confrontaties die plaatsvinden op dagen zonder 'data'. Dit wordt ook mooi beschreven in het boek zelf waar de verteller betekenis geeft aan de titel. 'Het lammenadige gevoel van datumloze dagen, een heel leven lang, waarin de tijd voorbijraasde zonder dag-, maand-, jaarmarkeringen, maar wel sporen naliet: herinneringen, schuldbesef'. Zo schetst de verteller ook meermaals hoe hij zich voelt en hoe hij verlangt naar een ander leven. Hij merkt zelf ook dat zijn leven meer datumloze dagen bevat dan dagen die nog een heldere plek in zijn geheugen hebben. "Als die krant, zo voelde ik me. Welke datum droeg die krant? Dat ik me dat afvroeg, weet ik nog: ik had het gevoel of mijn leven datum-loos was geworden en dit verder altijd zou blijven, het gevoel dat de tijd blanco langs me heen voorbijjoeg en ik een onbestaan leidde. Ook ik verlangde weg te vliegen zoals die krant, terwijl ik mezelf had vastgeketend aan een massieve toestand. " Daarnaast is zelfs de dag van de geboorte van Nathan, de zoon van de verteller, die een heel belangrijke gebeurtenis is in het verhaal en een cruciaal, dynamisch motief vormt voor het boek, voor de verteller een datumloze dag. '

Het boek heeft een diffuus tijdsverloop waar heden en verleden continue door elkaar lopen en de chronologie constant onderbroken wordt door flashbacks. Het verhaal heeft een cyclische opbouw en een ultimas-res-begin omdat het begint bij het einde en het een structurele flashback vormt die de periode van ongeveer veertig jaar verteld. Zo begint het verhaal bij de verwekking van Nathan in Venetië en eindigt het bij zijn dood. Er worden weinig tot bijna geen duidelijke tijdsaanduidingen gegeven waardoor je als lezer net zo gedesoriënteerd geraakt als de verteller lijkt te zijn. Soms krijgen we wel subtiele hints zoals bv. bij de geboorte van Nathan die plaatsvond op een 'Sandradag', waarvan we als lezer weten dat deze dag altijd op een woensdag viel. Wat we ook te weten komen is dat de verteller vijfentwintig is wanneer Nathan geboren wordt en ongeveer vijfenzestig jaar is wanneer Nathan sterft. Tot slot wordt de lange innerlijke monoloog die door de verteller gevoerd wordt, ook niet ingedeeld in hoofdstukken maar wordt enkel door witregels aangegeven wanneer er een tijdsprong plaatsvindt.  

Net als de onduidelijke tijd, komen we ook weinig te weten over de ruimte die voornamelijk diffuus is. De plek die vooral aan bod komt is het bos waar de verteller door wandelt dat ook als symbolische ruimte voor de weerspiegelde gevoelens van de verteller kan fungeren. Het bos ligt vermoedelijk ergens in België, vlak bij het huis van de verteller. De laatste scènes van het boek spelen zich af in het academisch ziekenhuis in Meulhem. Daarnaast spelen Venetië, New York, Wenen en Amsterdam in dit verhaal ook een rol want dit zijn de enige ietwat duidelijke plaatsaanduidingen die we krijgen. Deze plaatsen worden dan ook niet toevallig vernoemd want zo is Venetië de stad waar Nathan wordt verwekt, en zijn New York, Wenen en Amsterdam de plekken waar de drie ontmoetingen tussen vader en zoon plaatsvinden.

Doorheen het boek komen er vele interessante en minder interessante personages aan bod. Er wordt aangenaam gewisseld tussen ronde karakters en typetjes wat het spannend houdt. Wat volgens mij het meest opmerkelijke is, is dat we nooit duidelijk te weten komen wie de protagonist zelf werkelijk is, ook al kennen we hem door en door. Voor mij is hij een rond, dynamisch karakter. Zijn personage lijkt wel een personage dat ook in andere boeken terug kan komen: de norse, eenzame, onverschillige man die zijn vrouw bedriegt, maar doordat hij doorheen het boek op een complexe en genuanceerde manier uitgediept wordt, beschouw ik hem eerder als een rond karakter. Hij is ook dynamisch omdat hij van begin tot einde een grote evolutie doormaakt. Zijn kijk op de wereld verandert door verloop van omstandigheden en ook lijkt hij een ontwikkeling op vlak van persoonlijkheid mee te maken waardoor hij aan het einde van het boek een ander persoon lijkt te zijn dan dat hij was toen we hem leerde kennen. Naast de verteller zijn Nathan, de zoon van de verteller en Mirjam, de moeder van Nathan en de ex-vrouw van de verteller de op een na belangrijkste personages. Ook is er nog de Française Sylvie, de nieuwe vrouw van de verteller die hem na enkele jaren verlaat voor een zekere Gérard, en Heather en Sandra, de twee meest gedetailleerd beschreven minnaressen van de verteller. Daarnaast is er ook nog Gabriela Chrochowiak, de Poolse spreekster waarmee hij een vurig moment beleefd na een conferentie waar zijn zoon toevallig ook aanwezig was, Janis, het toenmalige vriendinnetje van Nathan die geld verdiende in New York door het poseren als zilveren standbeeld op straat en die de verteller begeert, en verpleegster Nora, die Nathan verzorgt in het ziekenhuis en die de verteller betrapt op een misdaad. Tot slot is er ook Madeleine, de ex-vrouw van Nathan waar we eigenlijk weinig tot niets over weten en hun dochtertje Amber, de kleindochter van de verteller, die we aan het einde van het verhaal leren kennen in het ziekenhuis tijdens de bezoeken aan Nathan. 

In het boek zit er veel gelaagdheid die grotendeels gecreëerd wordt door de vele motieven in het verhaal. De motieven die mij het meest opvielen waren de volgende: 

  • De abstracte motieven zoals schuld, schaamte, verzoening, isolement en eenzaamheid, geboorte wat ook een dynamisch motief is in dit boek, verlies, vergankelijkheid en verval, pijn, bedrog en overspel, seksualiteit die telkens door de vele uitvoerig beschreven seksscènes wordt benadrukt, stilte tegenover de kracht van muziek die als universele taal gesproken wordt in het boek en die ook de drijfveer was van Nathan.
  • Het nagelschaartje, een dynamisch motief, waarmee de verteller aan het einde de infuusdraden van Nathan doorknipt. Dit schaartje komt enkele keren subtiel aan bod en werd al vroeg in de roman geïntroduceerd.
  • Boccherini's 'Ritirata di Madrid': Dit stuk keert verschillende keren in Venetië, New York, Wenen, Parijs, in het ziekenhuis, en aan het einde wanneer de verteller met zijn auto het ziekenhuis verlaat. Het stuk wordt altijd in verband gebracht met de plekken waar de verteller voornamelijk met Nathan wordt geconfronteerd. De melodie en kracht van het muziekstuk, die een zekere impact heeft op de verteller, illustreert de verhouding tussen vader en zoon. De muziekband waarin Nathan gitarist is heet dan ook niet toevallig 'de Boccherini's'.
  • Het oppervlakkige woord 'leuk' dat als leidmotief voor en door de verteller wordt gebruikt hiermee zijn onverschilligheid over het leven benadrukt. Het woord wordt ettelijke keren door de verteller gebruikt in situaties waar hij geen moeite lijkt te doen om geïnteresseerd over te komen. Hij is zich er ook zelf bewust van dat hij vaak geen ander woord in zijn vocabulaire vindt om zijn enthousiasme te uiten. We zien dit ook vaak in gesprekken tussen hem en zijn zoon maar dan lijkt het vooral uit de noodzaak 'iets' te zeggen. Zijn zoon is daarnaast ook de enige persoon die hem er ook lijkt te wijzen waarmee we zien dat hij wel geeft om de mening van zijn vader. Zo zegt hij: 'Leuk? Is dat alles wat je erover weet op te merken? Leuk?' en 'Daar heb je het weer met zijn leuk. Kan het wat enthousiaster, ouwe?'
  • de manie voor tellen: Een leidmotief dat meermaals aan bod komt. De hoofdpersoon telt het hele boek door bomen in het bos om rustig te worden. Hiermee zoekt hij, een volgorde voor zijn gedachten en gevoelens. Wanneer hij verstoord wordt geraakt hij de tel kwijt maar geeft hij niet op om verder te gaan. Hij geeft zijn telmanie toe wanneer hij de windmolens in het veld niet telt waarbij hij zegt: 'Het gaat mij om het tellen, het bezig zijn met tellen, niet om enige einduitkomst, want dan is het tellen overbodig geworden.' Tot slot is hij zich er op een gegeven moment ook van bewust dat het tellen van bomen zinloos is ondanks hij dit wel blijft doen.
  • Het getal 'veertig', een vrij en terugkerend motief dat op verschillende manieren betekenis krijgt in het verhaal. De verteller telt tijdens zijn boswandeling de bomen. Nadien wordt duidelijk dat hij een manie voor tellen heeft. Wanneer hij aan de veertigste boom komt ziet hij dat deze een wit kruis heeft en zal worden omgehakt. De veertigste boom verwijst naar Nathan die ook zo oud zal zijn als hij zal sterft. Ook heeft Nathan in het ziekenhuis veertig graden koorts. Daarnaast is de ik-verteller ook veertig jaar wanneer hij na een lange radiostilte zijn zoon tegen het lijf loopt en voor de eerste keer ontmoet. Het getal komt ook vaak terug als de verteller de leeftijd van de vrouwen die hij tegenkomt in zijn leven raadt. Ze lijken of zijn toevallig allemaal veertig. Tot slot komt hij tijdens zijn wandeling aan een weide met windmolens. Hij telt niet hoeveel het zijn maar hij vermoedt dat het er veertig zijn. 

  • De tijd en de dood, twee abstracte motieven die in deze roman een erg grote rol spelen, die nauw verbonden zijn met elkaar en die ook de nodige aandacht krijgen doorheen het verhaal. De verteller trekt in het boek de tijdsaanduidende woorden 'gisteren' en 'vroeger' in twijfel. Zo zegt hij: Vroeger, wat drukt deze tijdsbepaling in al haar vaagte eigenlijk uit? Hoe lang ligt vroeger achter ons, - behoort een uur geleden of gisteren niet even ver tot vroeger als vijfendertig jaar?'

    Hij brengt de tijd en de dood vaak met andere zaken in verband. Zo heeft hij oog voor het water tijdens 
    de reis in Venetië waar Nathan wordt verwekt. De verteller ziet het water als de tijd waar niets tegen bestand is. In de binnenstad stinkt het water naar rottigheid en de dood, iets wat aan het einde van de roman terugkeert. Een andere keer ziet de verteller de tijd als iets dat geruisloos langs je heen jaagt en 100 keer sneller is dan de tgv naar Parijs of een raket naar de planeten. Ook de overjagende wolken die aan snel tempo voorbij gaan en die herhaaldelijk terugkomen, symboliseren de voorbijgaande tijd in het leven van de verteller. Zo haalt de verteller een keer aan: 'Treurigheid, als aangevoerd door de jagende wolken, stormt op me af, kolkende, vretende spijt om alles.' Een andere keert zegt hij: 'Er waren geen wolken, de tijd stond even stil.' Tot slot ziet de verteller de windmolens in de weide die hij tegenkomt tijdens zijn wandeling als hoge betonnen palen met drie schoepen die de wolken aan flarden slaan net zoals kalenders en klokken de tijd in periodes kappen.


    Ook ziet de verteller het bos waarin hij zich vertoeft vaak als een metafoor voor de tijd, de dood en zijn leven. Zo zegt hij: 
    "Bomen kan men tellen, al is dat even zinloos, om aan de hand daarvan een voorstelling te kunnen maken van de uitgestrektheid van het bos, - maar de uitgestrektheid van tijd aan de hand van datumloze dagen? " Wanneer de verteller tijdens diezelfde lange boswandeling een wild stierachtig dier tegenkomt linkt hij dit aan de Minotaurus waardoor hij zichzelf ziet als iemand die zich door het labyrint, het bos, van het leven waadt. Het dier ziet hij als de dood die hem komt halen maar die hij nog te vlug af is omdat het zijn tijd nog niet is. Toch lijkt hij enigszins teleurgesteld wanneer het dier hem met rust laat. Hij vraagt zich af hoe oud hij nog moet worden doordat zijn zoon op jonge leeftijd is gegaan. 

    De verteller lijkt telkens heel gehaast te zijn en zich niet bewust of net té bewust te zijn van de tijd waardoor hij nauwelijks lijkt te genieten van het moment. Het gevolg hiervan is ook dat hij zich door deze constante haast bijna niets meer kan herinneren van de belangrijke of minder belangrijke dagen in zijn leven maar dat alles een reeks van opeenvolgende datumloze confrontaties is. Wanneer Nathan in New York zijn vader tegen het lijf loopt en ze die avond een lange conversatie voeren zegt Nathan dat hij het gevoel heeft dat hij wordt opgejaagd en dat hij zich moet haasten alsof er weinig tijd is, nog niet wetende dat hij op zijn veertig jaar zal sterven. Deze 'haast' waar hij over spreekt, verschilt wel duidelijk met de haast die zijn vader in het leven ervaart. De haast van Nathan leidt tot grote en ambitieuze plannen, hij wil niet stil zitten en wachten, hij wil net leven en genieten, in tegenstelling tot zijn vader. De verteller is zich ondanks zijn onverschilligheid over de tijd heel bewust van alles wat met tijd te maken heeft. Zo zegt hij: 'Soms heft de tijd zichzelf op en valt ieder besef of vermoeden van klok-of kalenderstippen weg.' De spijt die hij voelt tegenover zijn zoon omdat hij niet aanwezig was in zijn leven, slaat ook op de tijd die hij plots als iets heel kostbaar benadert en anders had willen invullen nadat hij het verlies van zijn zoon heeft moeten doormaken. Zo zegt hij ergens tegen het einde 'tijd is luxe'.

Het grondmotief in dit boek is het leren koesteren van tijd en het proberen liefhebben en appreciëren voor spijt te laat komt.

Het verhaal wordt verteld door een vertellende ik-verteller en de vanuit een externe autodiëgetische positie. Het is een externe verteller doordat hij buiten het verhaal staat en er een grote afstand is tussen de tijd dat de gebeurtenissen zich afspelen en het moment waarop de verteller het verhaal aan de lezer vertelt. Dit is merkbaar doordat het verhaal een aaneenschakeling is van verschillende flashbacks uit de verteller zijn leven. Het is daarnaast ook een autodiëgetische verteller doordat de verteller zijn eigen verhaal, waarin hij het hoofdpersonage is, vertelt. 

Het boek heeft een boeiende spanningsfactor doordat we veel info krijgen maar weinig exacte data en plekken. Hierdoor zijn we vaak vrij in onze interpretatie. Daarnaast wordt door de suggestieve schrijfstijl onze verbeelding continue aangewakkerd.  Doordat we de verteller na zekere tijd wel leren kennen, weten we ook na verloop van tijd hoe die denkt en in elkaar zit. Toch omvat het boek enkele open plekken waardoor mijn verwachtingspatroon als lezer telkens geprikkeld bleef worden en ik verrast bleef, ook al kon ik vaak wel voorspellen hoe bepaalde zaken zouden aflopen. Zo weten we bijvoorbeeld na verloop van tijd dat de verteller geen zachtaardige, loyale huisman is maar dat hij ook zijn nieuwe vrouw Sylvie bedriegt, en dat hij dit zal blijven doen tot het einde van zijn dagen. Wat ik als lezer niet helemaal zag aankomen was de kentering op vlak van zijn liefde voor zijn zoon die heel subtiel groeit in het verhaal. Hierin was ik dan misschien eerder wat naïef omdat dit het omvattende thema van het boek is en er dus ooit wel een moment van inzicht en verzoening tussen vader en zoon moest plaatsvinden, maar toch bleef ik aangenaam verrast. 

Jeroen Brouwers hanteert in dit boek een stilistische, beeldende soms zelfs filosofische schrijfstijl. Hij schrijft in melodieuze zinnen en met de nodige nuancering in zijn woorden. Daarnaast schrijft hij geen woord zonder dubbele betekenis. Je ziet het hele verhaal, met alle flashbacks die het verhaal op een waardevolle manier kleur geven, als een grauwe film die zich voor je ogen afspeelt alsof je er zelf middenin zit. Je ervaart mee hoe het hoofdpersonage zich ongemakkelijk voortbeweegt in zijn eigen wereld die vorm krijgt door datumloze herinneringen en vervlogen momenten waar hij niet trots op is. Je leest letter per letter hoe het hoofdpersonage zich pijnigt bij het piekeren over zijn kapotgelopen huwelijken maar vooral bij de gedachte aan zijn ongewenste zoon die hij eigenlijk doodgraag heeft leren zien. Je voelt als lezer het pijnlijke besef over de fouten die het hoofdpersonage heeft gemaakt in bijna elke letter die door de auteur nauwkeurig wordt neergezet. In de roman spelen bepaalde doordachte voorwerpen, herhalingen van momenten en woorden, en metaforen een belangrijke rol. Of deze manier van schrijven eigen is aan de auteur weet ik niet en om hierover een uitspraak te doen heb ik jammer genoeg nog te weinig boeken, slechts eentje, gelezen. Toch zetten de beeldende, bijna realistische en poëtische beschrijvingen een nauwgezette toon die het hele boek lang aanwezig blijft en die voor een meeslepende, soms bijna melancholische sfeer zorgt. Soms komen er beschrijvingen aan bod die je bijna gedichten kunt noemen. Zo opent het verhaal met een sfeerscheppende noot:  'In de herfst, zoals nu, trekken de berken, de beuken, de eiken hun kleren en kleuren uit en poseren als potloodventers tussen het wintervaste groen van dennen en sparren, dat alleen wat roestig wordt. Hier moet, zoals nu inderdaad het geval is, dunne gloed van een afscheid nemende zon doorheen, die alles nog één keer aanraakt en schaduw geeft'. De bedachtzaamheid en esthetiek in bepaalde omschrijvingen en woorden van de schrijver, vormden een grote meerwaarde voor de manier waarop dit verhaal bij mij als lezer binnenkwam. 

© 2022 literatuurblog van Jitte. Alle rechten voorbehouden.
Mogelijk gemaakt door Webnode
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin