Miriam van Hee

Miriam van Hee (Gent, 16 augustus 1952) is een vertaalster en docente Russische literatuur en grammatica. Ze groeide op in Gent, waar ze van 1970 tot 1975 aan de de Rijksuniversiteit slavistiek studeerde nadat ze tijdens een familiereis naar Rusland gebeten werd door de taal. Naast haar gedrevenheid en interesse in Slavische talen, is ze ook een begeerde Vlaamse dichteres die zich al meer dan dertig jaar met poëzie bezig houdt. In 1973 verscheen een eerste publicatie van een reeks gedichten in het literaire tijdschrift Koebel. Vijf  jaar later, in het jaar dat ze haar eerste dochter Bregje kreeg, debuteerde ze met de dichtbundel 'Het karige maal', waarvoor ze de provinciale prijs voor het poëziedebuut van Oost-Vlaanderen ontving.

In datzelfde jaar richt ze met collega dichter Marc Braet een poëziereeks van het Masereelfonds op waarin werk verschijnt van Vlaamse dichters en vertalingen van buitenlandse dichters. Miriam hield zich voor die reeks voornamelijk bezig met de redactie ervan en het vertalen van gedichten voor van onder meer Anna Achmatova. In 1987-1988 vertrok ze naar Moskou voor een studie aan het Poesjkin-instituut. In de jaren die daarop volgden, vertoefde ze vooral in Antwerpen waar ze zich naast haar job als docente Russische literatuur en grammatica aan het Hoger Instituut voor vertalers en tolken bezig hield met het schrijven van poëzie. 

In 1998 k
reeg ze als eerste vrouw de 'Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poëzie van de Vlaamse Gemeenschap' voor haar bundel Achter de bergen. Ondertussen heeft ze al elf dichtbundels en enkele verzamelwerken op haar naam staan en is haar poëzie ook al in meer dan tien talen vertaald.  

dichtbundels

1978    Het karige maal 
1980    Binnenkamers en andere gedichten
1984    Ingesneeuwd
1988    Winterhard
1992    Reisgeld
1996    Achter de bergen
2000    Vrouwen dichten anders.
2002    De Bramenpluk
2007    Buitenland
2009    Wij woonden hier
2013    Ook daar valt het licht
2017    Als werden wij ergens ontboden
2022    Voor wie de tijd verstrijkt. 

bekroningen

1978    Oost-Vlaamse prijs voor Letterkunde voor haar poëziedebuut Het karige maal.
1984    Jaarlijkse prijs van de Stad Gent voor Ingesneeuwd.
1988    tweejaarlijkse prijs De Vlaamse Gids voor Winterhard.
1989    Jan Campert prijs voor Winterhard.
1995    Literaire prijs Dirk Martens van de stad Aalst voor haar bundel reisgeld.

1998    Kreeg als eerste vrouw de 'Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poëzie van de Vlaamse Gemeenschap' voor haar bundel Achter de bergen.
2007    De Europese poëzieprijs POESIAS voor de Franse vertaling van haar dichtbundel De bramenpluk. 
2008   Prijs van de vakjury van de Herman de Coninckprijs voor de bundel Buitenland.
2008   Publieksprijs voor het gedicht "Zomereinde aan de Leie".
2017   Ultima Letteren voor 'Voor wie de tijd verstrijkt' 


De dichterlijke taal van Miriam van Hee

In haar weemoedige en verstillende poëzie heeft Miriam oog voor menselijke vervreemding, existentiële dreiging, ontheemding en beschrijft ze op een sensitieve, fluisterende toon de troost van de natuur en de nostalgische herinnering. Ze gaat steeds dwalend maar trefzeker op zoek naar manieren om thema's als verlangen en heimwee, verwachting en teleurstelling, besluiteloosheid en onzekerheid en vergankelijkheid op een suggestieve manier te vatten in een geheel van heldere, mystieke verzen. Onderwerpen die ze vaak laat terugkomen in haar poëzie en die een rode draad vormen van haar oevre zijn reizen, familie, de natuur, het land en de stad waarin ze in haar waarnemingen en beschrijvingen ervan steeds oog heeft voor de verandering in de gevoelens, in het landschap en in de seizoenen. Enkele terugkerende elementen zijn de sneeuw, de wind, de mist, de regen en het licht die door Miriam telkens een eigenzinnig en uitgesproken karakter krijgen en tot leven komen.

Miriam van Hee is een sobere stilist met gevoel voor ritme, muzikaliteit en harmonie. In haar sensitieve, sfeerscheppende dichtkunst hanteert ze een heldere en eenvoudige taal en beschrijft ze subtiel maar genuanceerd haar interne en externe belevingswereld met de focus op zintuiglijke veranderingen. Voorzichtig, geraffineerd en als opmerkzame waarnemer treedt ze ingetogen in interactie met de alledaagse werkelijkheid en beschrijft ze zinderend haar gewaarwordingen waarbij ze keer op keer de balans tussen ratio en emotie aftast. In haar sentimentele vaak melancholische woordkeuze slaagt ze erin om nooit melig te worden of in clichés te vallen, wat de kracht van haar dichtkunst vormt voor mij. Haar pure en weloverwogen woordgebruik straalt geborgenheid en geruststelling uit en geeft precies wat de lezer nodig heeft: een herkenbare houvast, troost en hoop.

Wat essentieel is aan haar dichterlijke taal is dat wat haar verzen echt willen zeggen vooral zit in wat impliciet blijft en ze keer op keer het evenwicht zoekt tussen het zegbare en onzegbare. Toch laat ze door haar onnadrukkelijke omschrijvingen van de waarheid en de wereld rondom haar veel aan onze verbeelding over en kunnen we ons als lezer een haarscherp, specifiek beeld vormen van haar waarnemingen. Vervolgens trekt de Vlaamse dichteres van grammaticale correctheid of interpunctie weinig aan en naast haar evenwichtig gebruik van figuurlijke taal lopen haar gedichten vooral over van enjambementen die naar mijn gevoel vooral symbool staan voor de onbepaalde scheidingslijn tussen begin en einde die daardoor, als een vicieuze cirkel, diffuus in elkaar blijven vloeien.

Wanneer 

Wanneer, zo vraag ik je
zullen we elkaar weer bij de hand vatten
en zullen wij de tijd verliezen
in een praten, als het rustige
klotsen van roeispanen

wanneer zullen wij weer
sprakeloos liggen,
in de nacht als de oevers ver zijn.

uit: Binnenkamers, 1980. 

Komt er een dag

komt er een dag waarop
geen spijt meer klinkt geen
treurigheid in onze stem
in de woorden die we zeggen zoals:
vroeger wij soms toch
wanneer waartoe zoniet

komt er een dag waarop
we lachen om de dagen
die nog voor ons liggen
sprankelend vol
stadsgeluiden
dat we de dingen kunnen
noemen bij hun namen
en ze veranderen

uit: Ingesneeuwd, 1984.

Er zijn geen argumenten

er zijn geen argumenten
in de liefde geen bewijzen
ik zou je kunnen vragen
om nooit van me weg te gaan
je zou een antwoord kunnen geven
een teken dat ik moet ontcijferen

soms lachen wij en zijn onszelf
zo leven wij en zoeken
diep in elkaar naar een plek
waar wij het liefste zijn
een ogenblik een dag

daarna weer en dieper
zoals eenden naar de bodem duiken
en het is nooit genoeg

uit: Reisgeld, 1992.

Nu, dan nu, hier, dan hier

nu, dan nu, hier, dan hier, terwijl de wind van richting veranderde en de zee opeens klonk als de noordzee en donker geworden was, ruig, niet aflatend, en je dacht, nu, dan nu, je wilde iets zeggen, je had geen bereik je had een naam, een herinnering die als

een vriendelijk dier aan je voeten ging liggen en je gevangen hield, nu, dacht je, nu, je zag nog de draden, licht tegen de donkere dennen ze brachten de stemmen naar huis maar jou belde niemand, er kwam geen bericht, er lag een goudvink op het terras, je legde hem
in het gras, hier, besloot je, hier

Uit: Als werden wij ergens ontboden, 2017.

De bramenpluk

kies een warme dag begin september
met zinderende populieren, met licht
dat door een gaas van stof valt,
met alle ramen open

's middags, als de buurman rust houdt
in de schaduw van de notelaar
en zijn blik over het dal laat dwalen
als keek hij naar een film: daar vliegen
vogels, verder dan wij kunnen zien
maar ze verdwijnen niet

ga dan en pluk de rijpste bessen,
die glanzend zwart zijn, zwaar
en lobbig, die zich gewillig geven
laat de tegendraadse hangen,
hun tijd komt later

en laat, wat onbereikbaar lijkt
zo blijven, want alles heeft een prijs:
je kunt je huid verwonden
aan de doornen, je kunt een adder
wekken uit de slaap, je kunt
je mandje laten vallen

neem dus je tijd, kom op je stappen
vaak terug, zing voor de wespen
liederen, stel hen gerust
en als je denkt dat je kunt blijven,
keer terug naar waar de tijd
voorbijgaat en het licht van kleur
verandert, waar de koelkast aanslaat
waar iemand gaten in de muur boort
waar nog vannacht de wind opsteekt,
de herfst begint, waar iemand
op je wacht

uit : De bramenpluk, 2022.


gedichtenanalyse 

Toen ik het gedicht 'Bramenpluk' las werd ik weemoedig door de beschrijvingen van een voor mij herkenbaar moment of situatie. Het bracht herinneringen naar boven van de vele zomeravonden in augustus wanneer ik met mijn moeder bramen ging plukken. Een bijna therapeutische handeling die doorheen de jaren een traditie werd en die we beide nodig hadden om over het leven te filosoferen, elkaar raad te geven of om elkaar gerust te stellen over de toekomst. Tijdens zulke momenten was het niet enkel mijn moeder die mij raad gaf maar was het een waardevolle wisselwerking waar we beide veel aan hadden en uit leerden.

In het gedicht, dat Miriam van Hee schreef voor haar dochter Bregje, valt haar lyrische ik samen met de moeder die zij is en met de moederlijke gevoelens die zij heeft voor haar dochter. Het gaat over de beschermende, moederlijke levenswijsheid die de onervaren, soms misschien wat naïeve jeugd probeert te behoeden voor de gevaren van het bramenplukken, en daarnaast vooral het leven. Het gaat impliciet over de stappen die elk kind moet ondergaan in het proces van kind-zijn naar volwassene en de valkuilen die je tijdens dit proces kan tegenkomen, maar ook over het loslaten van je kind als ouder om hem of haar zelfstandig de bramen van het leven te laten plukken. Zoals kenmerkend voor haar poëzie hecht ze in dit gedicht ook veel belang aan de vergankelijkheid van het moment, de snelheid van de tijd en het leven, het licht en de natuur en valt ook haar typerende weemoedige karakter door haar sensitieve woordkeuze enorm op. Ze schreef het gedicht vanuit haar eigen standpunt voor haar eigen dochter, maar door het weglaten van namen en het gebruik van onbepaalde voornaamwoorden zoals 'iemand' is het evocatief en herkenbaar voor iedereen.

Het gedicht bestaat uit vijf strofes die allen verschillen in lengte. Miriam houdt zich, zoals in veel van haar gedichten niet vast aan een patroon, waardoor er ook geen duidelijke versvoeten aanwezig zijn in het gedicht. En ook geeft ze zoals typerend voor haar dichtstijl hier weinig om interpunctietekens. De kracht van dit gedicht ligt vooral in het onopgesmukte, pretentieloze, impliciete taalgebruik dat ze toepast om simpele waarnemingen te beschrijven waardoor het gedicht een herkenbare helderheid uitstraalt. Haar taal is simpel en bescheiden en ze gaat spaarzaam aan de slag met stijlfiguren en figuurlijk taalgebruik. De stijlfiguren die ze wel toepaste waren enerzijds enjambementen die mede door het schaars gebruik van interpunctietekens en de afwezigheid van hoofdletters ervoor zorgden dat de versregels subtiel in elkaar overliepen zonder begin of einde. En ook maakte ze regelmatig gebruik van parallellismen en verschillende enumeraties, die door de woorden zoals 'met' in de eerste strofe, 'die' in de derde strofe, 'je kunt' in de vierde strofe, 'en laat' in de derde en vierde strofe of 'waar' in de laatste strofe voor een opsommend karakter en herhaling zorgden. Daarnaast zitten er maar enkele voorbeelden van beeldspraak in dit gedicht waaronder het metafoor 'met licht dat door een gaas van stof valt' in de eerste strofe, de vergelijking 'en zijn blik over het dal laat dwalen als keek hij naar een film' en de personificatie in de derde strofe 'waarin enkel de rijpste bramen die zich gewillig geven tegenover de de tegendraadse bramen.'

Op vlak van rijm bevat het gedicht meerdere alliteraties, assonanties en een combinatie van de twee. Enkele voorbeelden hiervan zijn de woorden 'dal laat dwalen' en 'vliegen vogels verder' in de tweede strofe, 'zwart zijn, zwaar' en 'gewillig geven' in de derde strofe en 'waar iemand op je wacht' in de laatste strofe. Daarnaast komen er ook veel rijke rijmen en binnenrijmen voor zoals ' verder dan wij kunnen zien maar ze verdwijnen niet', 'lobbig, die zich gewillig geven', 'en laat, wat onbereikbaar lijkt zo blijven, want alles heeft een prijs' en tot slot 'keer terug naar waar de tijd' 

bronnen

  • Dekker, C. (z.d.). Miriam Van hee. Poetry International. Geraadpleegd op 3 juli 2022, van https://www.poetryinternational.com/nl/poets-poems/poets/poet/102-866_Van-hee
  • De Vugt, G. (2018, 28 januari). Het raadsel van het blijvende en het grootse. Over als werden wij ergens ontboden van Miriam Van hee. https://www.dwbarchief.be/. Geraadpleegd op 1 juli 2022, van https://www.dwbarchief.be/sites/default/files/pdf/hb%20web%20januari%20Geertjan%20de%20Vugt%20over%20Miriam%20Van%20hee.pdf 
  • Rondas, J. P. (2002). Ons Erfdeel. Jaargang 45 · dbnl. DBNL. Geraadpleegd op 3 juli 2022, van https://www.dbnl.org/tekst/_ons003200201_01/_ons003200201_01_0095.php
  • Schrijversgewijs. (z.d.). Van Hee, Miriam - Schrijversgewijs. Schrijversgewijs.be. Geraadpleegd op 3 juli 2022, van https://schrijversgewijs.be/schrijvers/van-hee-miriam/
  • T'Sjoen, Y. (1999). Ons Erfdeel Jaargang 42 (1999) · dbnl. DBNL. Geraadpleegd op 3 juli 2022, van https://www.dbnl.org/tekst/_ons003199901_01/_ons003199901_01_0089.php
© 2022 literatuurblog van Jitte. Alle rechten voorbehouden.
Mogelijk gemaakt door Webnode
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin